15 September 2016 / public affairs / FR 

Minder vakantie, meer macht?

De drijfveren achter de vervroegde start van het politieke werkjaar

Vandaag, 15 september, hervatten de 150 federale Kamerleden officieel hun politieke werkzaamheden. De start van het politieke werkjaar komt bijna een maand vroeger dan voorheen. Dat is het gevolg van een hervorming van de werking van de Kamer waarover eerder dit jaar, na veel intern debat tussen de politieke partijen, een akkoord werd bereikt.

De vervroegde start is het meest in het oog springende aspect van de hervorming. Ongetwijfeld heeft de publieke perceptie dat de dames en heren volksvertegenwoordigers zich toch wel een royale vakantie gunden een belangrijke rol gespeeld in de hervorming. Want, geef toe, drie maand zomervakantie (van de nationale feestdag op 21 juli tot de State of the Union op de 2de dinsdag van oktober), dat krijg je vandaag nog moeilijk verkocht aan de ‘hardwerkende’ Belgen die het met veel minder vakantie moeten stellen.

Het is natuurlijk niet zo dat de parlementsleden echt drie maanden vakantie namen. De voorbije zomer werd duidelijk dat het twitterparlement alvast op volle toeren bleef draaien. Velen maakten van de stilte in het parlementaire halfrond gebruik om in de (sociale) media voor het nodige lawaai te zorgen. Maar toch, de perceptie dat het parlement in deze tijden van besparingen en langer werken een volle maand vakantie opoffert om het land krachtdadig te besturen, is aardig meegenomen.

De belangrijkste drijfveer achter de hervorming is echter het besef dat het parlement er nood aan heeft om uit de schaduw te treden van de federale regering. Op papier is het parlement nog steeds de ‘wetgevende macht’ en de regering de ‘uitvoerende macht’. In werkelijkheid is het parlement echter gaandeweg verworden tot een ‘bekrachtigende macht’ die braafjes de wetsontwerpen goedkeurt die de regering hen voorlegt.

Daarom is het symbolisch belangrijk dat het niet langer de regering is die met de ‘State of the Union’ de aftrap geeft van het parlementaire werkjaar. Als de premier straks, op de tweede dinsdag van oktober, het spreekgestoelte zal beklimmen om de regeringsplannen en begrotingscijfers toe te lichten, dan zal hij tegenover zich alerte parlementsleden vinden die inmiddels op kruissnelheid zijn gekomen en goed voorbereid zijn om de besprekingen aan te vatten en de regering het vuur aan de schenen te leggen.

De wil om zich te ontvoogden van de regering mag ook blijken uit een ander aspect van de hervorming. De regel dat commissievergaderingen ook tijdens de parlementaire vakantie bijeengeroepen kunnen worden, op voorwaarde dat zowel de Kamervoorzitter als de commissievoorzitter én de ondervraagde minister daarmee akkoord waren, werd aangepast. Voortaan volstaat een akkoord van de Kamer- en de commissievoorzitter. De ministers verliezen dus hun vetorecht en kunnen desgewenst verplicht worden vervroegd uit vakantie terug te keren als het parlement dat eist. Toegegeven, de voorbije zomervakantie werd geen enkele minister op het matje geroepen, maar als statement van de herwonnen macht van het parlement, kan het wel tellen.

Ook de almachtige partijvoorzitters kunnen het parlementaire werk voortaan niet meer doorkruisen. Afgesproken werd dat alle politieke partijen hun jaarlijkse fractiedagen verplicht moeten organiseren in de eerste twee weken van september. Op die manier kan het parlement vanaf de derde week voluit aan de slag gaan en kan niemand nog het argument inroepen dat hij of zij verhinderd is wegens partijvergaderingen.

Kamervoorzitter Siegfried Bracke kan en zal de pluim voor deze hervorming graag op zijn hoed steken. Zijn partij, de N-VA, zal er een bewijs in zien van de beloofde ‘kracht van verandering’. Staatssecretaris Theo Francken liet alvast niet na om via twitter – what else? – te melden dat hij het was die reeds in 2012, als eerste had gepleit voor een hervorming.

De echte vraag is natuurlijk of deze symbolische ontvoogding ook in de parlementaire praktijk tot uiting zal komen. Dat zullen we bv. kunnen afmeten aan het aantal parlementaire resoluties die door de regering niet naar de spreekwoordelijke schuif verwezen worden. Of, beter nog, aan het aantal parlementaire wetsvoorstellen die ook daadwerkelijk wet worden.

Ter illustratie: in de periode 2006-2014 werden 3.981 wetsvoorstellen ingediend door parlementsleden. Slechts 366 daarvan, een schamele 9%, zijn daadwerkelijk wet geworden. In diezelfde periode werden wel 100% van de 1.292 wetsontwerpen van de regering door het parlement met een druk op de stemknop goedgekeurd. Benieuwd of deze ratio tijdens deze legislatuur zal veranderen…


Carl Buyck

This email address is being protected from spambots. You need JavaScript enabled to view it.

 

 

twitter google+ linkedin